You are here

Opsporen van bodeminsecten in maïspercelen

Verlies van oogst

Bij hevige infecties kunnen ritnaalden verantwoordelijk zijn voor een oogstverlies van 30 to 40% voor zowel verse als droge materie. 

Verplaatsen van de larves

Een larve van een ritnaald verplaatst zich verticaal en kan zich tot 40 cm diep ingraven bij droogte of vrieskoude.

Vruchtbaarheid van de volwassenen

Een vrouwtje legt ongeveer 150 eieren per jaar.

Opsporen van bodeminsecten in maïspercelen

De schade aan maïsteelten veroorzaakt door bodeminsecten is de laatste jaren toegenomen. De ergste schade wordt veroorzaakt door ritnaalden (Agriotes spp.).

De toename aan ritnaalden is gelinkt aan het wegvallen van vele oplossingen in verschillende teelten en meer bepaald in de maïsteelt, door het niet meer gebruiken van neonicotinoïden ter bescherming van de zaden. Er zijn steeds minder middelen om ritnaalden tegen te gaan in de wisselbouw. Het is dus belangrijk om ze te bestrijden in de teelten waar dit wel nog mogelijk is.  

Slechte groei en verlies van planten door ritnaalden.

Schade ritnaalden in maïs

Schade aan de wortel van een maïsplant door ritnaalden

Agriotes

Ritnaald (Agriotes spp.)

De schade van ritnaalden aan maïsteelten neemt almaar toe de laatste jaren. Ze vormen een echte bedreiging.  Ze zijn het resultaat van de larves van 3 soorten kevers: Agriotes lineatus, Agriotes obscurus en Agriotes sputator, die allen behoren tot de familie Elateridae en tot de orde van de kevers.

De voornaamste risico's voor de maïsteelt

Vanaf het zaaien tot de fase van 8-10 bladeren, is de maïsplant zeer gevoelig voor aanvallen van ritnaalden omwille van de geringe plaats die de plant inneemt in de bodem en een zwakkere weerstand.

De larven van de ritbaalden kunnen verschillende delen van de maïs aanvallen: de zaden, de wortels en de jonge planten.

Omdat de maïs een zwakkere weerstand heeft (ontbreken van uitstoeling), is het verdwijnen van de wortels zeer schadelijk bij vroegtijdige aantasting van de zaden en/of de jonge planten.

Bij een laattijdiger aantastiging, overleven de aangetaste planten doorgaans wel, hoewel ze zeer verzwakt zijn en slechts zelden bruikbare maïskolven produceren. Deze aanvallen kunnen uitzonderlijk voorkomen tot de fase van 10 maïsbladeren.

 

De voornaamste risicofactor in de maïsteelt is in geval van een teelt 1 tot 3 jaar na omploegen van een weide, of het kweken van gras of braakliggend land in wisselbouw. De vochtige omstandigheden en de juiste voeding zorgen voor een grotere eileg en een betere larve-ontwikkeling. Het grootste risico doet zich voor in het tweede jaar. Tijdens het eerste jaar na het omploegen, volstaan de ingegraven plantendelen als voeding voor de larven waardoor de schade aan de maïsteelt beperkt blijft. Daarom is het omploegen van weides slechts aanbevolen naar het einde van de zomer toe, in plaats van in de lente.

De schade varieert naargelang de intensiteit, de vroegtijdigheid en de duur van de aanval. Als de schade zichtbaar is, zou dat weleens kunnen leiden tot een significant mindere oogst.

Levenscyclus

De volwassen kever legt zijn eieren in mei-juni in de plantages of onder overdekte bladeren waar de grond voldoende vochtig is (granen, weides, aardappelen...). Vanaf dat moment start de levenscyclus van 5 jaar. Gedurende de eerste 4 jaar ondergaan de larven 6 tot 10 opeenvolgende larvale stadia, waarbij ze steeds groter worden. De ernst van de schade is gekoppeld aan de leeftijd en de grootte van de larven. Tijdens hun eerste levensjaar brengen de ritnaalden slechts weinig schade toe aan de teelten. Vanaf de lente van het tweede jaar en dankzij de opwarming van de bodem, wordt de schade almaar groter tot ze een toppunt bereikt in het 4de levensjaar van de ritnaalden. Tijdens het 5de levensjaar ontwikkelt de larve zich tot zijn volwassen vorm. Tijdens hun levenscyclus maken de larven verschillende soorten wisselbouw mee, waardoor hun groei kan variëren.

Op een perceel kunnen verschillende levenscycli overlappen en treffen we larven aan in verschillende levensstadia.

Bestrijdingsmiddelen

Ritnaalden moeten gedurende de volledige duur van de wisselbouw bestreden worden door gebruik te maken van teelten waarbij bestrijdingsmiddelen toegelaten zijn (aardappelen, maïs, granen...). Door larven te vangen kan de mate waarin een perceel aangetast is, worden bepaald en kan er beslist worden of bestrijding noodzakelijk is. Een goede kennis van voorgaande teelten op het perceel zorgt er eveneens voor dat het risico beter kan ingeschat worden (vastgestelde infestaties, frequentie van de infestaties, ideale wisselbouw...).

Bij de maïsteelt gebeurt de bestrijding vooral preventief vanaf de inzaaiing. Welke oplossing wordt gebruikt, wordt beslist in functie van het risico op het perceel: behandeling van de zaden en/of insecticide in de zaai-/plantgeulen.

Syngenta biedt twee oplossingen om ritnaalden te bestrijden in aardappelteelt:

  • Force 200 CS: behandeling van het basiszaad
  • Force Evo: microkorrels in de plantgeul bij een verhoogd risico. Force Evo bevat eveneens meststoffen die de maïsgroei kunnen stimuleren.

Klik op de pagina's hieronder om meer te weten over Force Evo en Force 200 CS.

Onbehandeld

Aanwezige planten = 68%

Droge materie = 11.9T

Referentie S (12kg/ha)

Aanwezige planten = 87%

Droge materie = 15.4T

Force Evo (16kg/ha)

Aanwezige planten = 95%

Droge materie = 16.6T

 

Zichtbaar boostereffect:

+4.5T tegenover het onbehandelde perceel

+1T tegenover de referentie (=100€)

Alles weten over Force Evo

Ontdek onze nieuwe oplossing met microkorrels tegen ritnaalden

Alles weten over de behandeling van

Mäiszaad dat vanaf het begin behandeld werd met Force® 200 CS is meteen beschermd