You are here

Bestrijding van schadelijke insecten in tarwe

Bladluizen op aren

In het ergste geval kan er tot 25q/ha van de oogst verloren gaan.

Dwergvergelingsziekte

De toegebrachte schade aan tarwe varieert en wordt geschat op ongeveer 40 q/ha.

De oranje tarwegalmug

Een aanval van gemiddeld 15 larven kan de oogst met 4 q/ha doen verminderen.

In de herfst kunnen bladluizen en andere schadelijke insecten opduiken net na opkomst van de teelt. Ze kunnen op twee manieren schade toebrengen aan het gewas. Ze verspreiden het dwergvergelingsvirus voor gerst dat niet alleen de plant aantast maar ze brengen de plant ook directe schade toe door die te steken terwijl ze zich voortplanten. Bladluizen kunnen zich vanaf de herfst op de plant nestelen, terwijl de tekenen van de aantasting pas zichtbaar zijn in de lente. Hun infestaties kunnen tot een verlies van 50% van de oogst leiden bij tarwe, en tot wel 100% bij gerst.

Preventie is de beste manier om bladluizen op graan te bestrijden in de herfst. Preventieve bestrijding is belangrijk om de verspreiding van virussen zoals de dwergvergelingsziekte bij gerst tegen te gaan. Eens de plant aangetast is, baat geen enkel middel meer.

Met profylaxe kan de infestatie van bladluizen eveneens bestreden worden. Er zijn twee belangrijke regels die doeltreffend zijn: kiezen voor een resistente variëteit en een verschuiving van de zaaidatum.

De behandelingsdrempel tegen bladluizen is bereikt als 10% van de planten bladluizen dragen. Vanaf dan kan alleen nog een bladbehandeling verder verlies voorkomen. Het aantal behandelingen hangt af van de spreiding van de zaaitijden. In geval van een vroege inzaaiing, kunnen één tot twee behandelingen nodig zijn om de infestatie te verminderen.

 

In de lente is vooral de Engelse graanluis (Sitobion avenae) de belangrijkste vijand. In grote getale, kan deze bladluis zorgen voor een vermindering van het aantal granen per aar net als een vermindering van het gewicht per 1000 granen. In het ergste geval kan er tot 25q/ha van de oogst verloren gaan. Deze destructieve aanvallen zijn gemiddeld om de 3 à 4 jaar zichtbaar. Roetdauw ontwikkelt zich door de afgifte van honingdauw.

In de lente is vooral de Engelse graanluis (Sitobion avenae) de belangrijkste vijand. In grote getale, kan deze bladluis zorgen voor een vermindering van het aantal granen per aar net als een vermindering van het gewicht per 1000 granen. In het ergste geval kan er tot 25q/ha van de oogst verloren gaan. Deze destructieve aanvallen zijn gemiddeld om de 3 à 4 jaar zichtbaar. Roetdauw ontwikkelt zich door de afgifte van honingdauw.

De nuttige insecten (hymenoptera, zweefvliegen, lieveheersbeestjes...) daarentegen beperken op natuurlijke wijze de ergste aantasting door bladluizen. Wanneer de bladluizen zich voortplanten is hun tussenkomst echter onvoldoende. De behandelingsdrempel is bereikt als 1 aar op 2 aangetast is door een of meerdere bladluizen. Dat stemt overeen met een gemiddelde van 4-5 bladluizen per aar. Een behandeling voor het begin van de aarvorming bij de aanwezigheid van bladluizen op de bladeren is echter niet aangewezen, want dat is te vroeg. Een behandeling na het pasteuze stadium van het graan heeft  geen zin.

De nuttige insecten (hymenoptera, zweefvliegen, lieveheersbeestjes...) daarentegen beperken op natuurlijke wijze de ergste aantasting door bladluizen. Wanneer de bladluizen zich voortplanten is hun tussenkomst echter onvoldoende. De behandelingsdrempel is bereikt als 1 aar op 2 aangetast is door een of meerdere bladluizen. Dat stemt overeen met een gemiddelde van 4-5 bladluizen per aar. Een behandeling voor het begin van de aarvorming bij de aanwezigheid van bladluizen op de bladeren is echter niet aangewezen, want dat is te vroeg. Een behandeling na het pasteuze stadium van het graan heeft  geen zin.

De impact van virussen op graan